|
|
|
|
(door Dick van der Plas) Vakantievoorpret
Raad eens, zegt mijn vrouw, in één van die vader en moeder-telefoongesprekken die het bedrijfsleven op jaarbasis 8,7 miljard euro aan gederfde werktijd kosten. Mijn zoon (8) is die ochtend op de fiets naar de sportdag van zijn school gegaan en mijn eega heeft hem wel 30 keer op het hart gedrukt dat hij zijn sleuteltje niet moet verliezen. ,,Hij heeft zijn fietssleutel verloren’’, zeg ik. Het kon erger. Straks haal ik de fiets met de auto wel op. Het is één van zijn laatste dagen op school voordat we afreizen naar vrienden van ons in Spanje en hij heeft het al weken over niks anders dan zwemmen en duiken. ,,Hij heeft zijn elleboog weer gebroken’’, zegt mijn vrouw.
Vakantie voorpret
Onze zoon (8) heeft een rijke traditie op het gebied van botbreuken. De vakantiekiekjes bevatten altijd wel een paar opnamen van Eerste Hulp-afdelingen, waar geknapte sleutelbenen worden ingesnoerd en ledematen worden rechtgezet. De laatste tijd gaat zijn voorkeur uit naar botbreuken in de weken vóór de vakantie. De laatste herfstvakantie ging op die manier gedeeltelijk de mist in omdat hij van zijn schouder tot aan zijn pols in het gips zat. Hij kon weinig anders doen dan in de caravan achter de laptop kruipen om zijn favoriete spelletjes te spelen. Over een muisarm hoor je hem nooit. Op deze sportdag had onze zoon – geen uitblinker in welke lichamelijke activiteit dan ook – al bij de eerste onderdelen een enorme puntenachterstand opgelopen. Bij het hoogspringen zou hij dit allemaal gaan goedmaken. Samen met twee andere jongens was hij al doorgedrongen tot de finale, toen hij na zijn laatste reuzensprong ongelukkig op zijn arm terechtkwam. ,,Ik voelde iets knappen’’, zegt hij huilend tegen de juf, die hem vorig jaar tijdens een gymles ook al een gebroken elleboog zag oplopen toen hij – naar verluid door een meisje – van een bank werd afgeduwd. Ook de huisarts laat even later weinig ruimte voor twijfel. ,,Ik zie het al, die is gebroken. Rijd maar door naar de Eerste Hulp.’’ Weken voor de vakantie word ik geplaagd door visioenen van wat er allemaal nog tussen kan komen. Een dierbare die overlijdt of kampt met een andere ongemak dat onze onmiddellijke nabijheid behoeft. Blikseminslag in ons Spaanse onderkomen. Tickets die opeens worden ingetrokken omdat we per ongeluk op een Amerikaanse zwarte lijst zijn beland. Maar een kind met een gebroken elleboog is ook erg. Dat moet de hele dag geholpen worden, van het aan- en uitkleden tot het aangeven van allerlei speeltjes waarmee hij nog wel zoet kan zijn, als ik net even lekker met een boekje onder de palmboom lig. Dat, als je net met een koude kan sangria voor je neus zit, tegen je aanzeurt omdat hij niet in het water kan. Dat ’s nachts voortdurend wakker wordt omdat het zo ondraaglijk jeukt onder het gips en steeds om zijn vader roept, die er ook allemaal niks aan kan doen, maar wel wil slapen. Een uur later belt mijn echtgenote terug. ,,Hij heeft geluk. Het is alleen maar zwaar gekneusd. Er zit helemaal niks om, zelfs geen verband, en als hij een paar dagen rustig aan doet, kan hij er weer alles mee.’’ De zucht van opluchting komt uit mijn tenen. ,,Ik had het zo sneu voor hem gevonden’’, zegt mijn vrouw. ,,Uh ja, zeker sneu voor hem’’, reageer ik net even te afwezig. ,,Jij zat zeker weer te denken in hoeverre je er zelf last van zou hebben?’’, zegt mijn vrouw geërgerd. Ik kan mijn oren niet geloven. ,,Denk je nou echt dat er zulke vaders zijn?’’
|