Website van Edwin Huge en Cokky Lekkerkerk

 

 

Trainingsweek Dick februari 2007

 

Normaal fiets ik er in het late voorjaar of de zomer, als de temperatuur kan oplopen tot ver boven de dertig graden. Maar, zoals ook veel beroepsrenners weten, eigenlijk is februari de ideale maand om met je racefiets de Costa Blanca op te zoeken. In Nederland is het guur, nat en koud, terwijl je in Spanje al lekker in het zonnetje kunt fietsen tussen de bloeiende amandelbomen en rijpe sinaasappels. Voor mijn eerste trainingskamp meldde ik mij op 14 februari bij onze rentenierende vrienden in Jalón, zo'n vijf kwartier rijden ten zuiden van Valencia. Een week lang fietsten Edwin en ik ruim 400 kilometer, als opwarmertje naar een lang wielerseizoen.

Woensdag 14 februari 2007

Tegen collega's die zonder hun kinderen of - nog erger! - zonder hun vrouw op vakantie gaan, heb ik altijd vreemd aangekeken. Dat hoorde gewoon niet. Dit soort heugelijke momenten in een kortstondig bestaan dien je met z'n allen te beleven. Inmiddels denk ik daar wat minder calvinistisch over, maar als ik een weekje weg ga zonder vrouw en kinderen spreek ik nog steeds niet over 'vakantie'. Dan ga ik op trainingskamp. De dagen staan in het teken van fietsen, eten en slapen. Daar hebben vrouw en kinderen toch niks aan. Die kunnen beter thuisblijven. Daar hebben ze het goed. Februari is in Nederland een hopeloze maand om te fietsen. Het regent, het waait, het kan hagelen en sneeuwen. En in Spanje, bij onze rentenierende vrienden, heb je al dagen van tussen de 20 en 24 graden, zo liet mijn favoriete luchtvaartmaatschappij Vueling mij gisteren per herinneringsmail weten. Vueling vliegt mij vandaag voor 60 euro (alle kosten inbegrepen) naar Valencia en brengt mij - nog steeds allemaal voor die luizige zes tientjes - over een week weer terug naar Amsterdam. In Valencia word ik opgehaald door mijn rentenierende vriend en rijden we samen een uurtje zuidelijker naar hun huis in Jalón, de komende week ons uitgangspunt voor fietstochten in het bergachtige achterland van de Costa Blanca, waar de amandelbomen bloeien en de sinaasappels plukrijp zijn. Lekker in het zonnetje. Geregeld een terrasje pikkend. Een prettige driegangenlunch in een leuk restaurantje. Lekker wijntje erbij. Trainingskamp. Geen vakantie!

 

Donderdag 15 februari

 

Het wijzertje naast de weegschaal van de lopende band is onverbiddellijk: de tas die ik de dag ervoor nog met twee vingers kon optillen - hoe zwaar kunnen een paar wielrenbroekjes nu zijn? - blijkt opeens meer dan 24,5 kilo. Het meisje van de Vueling-balie is onverbiddellijk. Er moet wat uit. Het maximum is 20 kilo, daarboven moet ik voor elke kilo betalen. Wat ik uit mijn tas haal, mag gek genoeg wel als handbagage mee. Daar wordt het vliegtuig niet lichter van, wil ik bijdehand opmerken, maar het is mijn ervaring om niet met dit soort functionarissen in discussie te gaan. Ook tot mijn eigen verbazing haal ik er een enorme stapel tijdschriften, een kilo belegen boerenkaas en een aantal boeken uit, die van harte welkom moeten zijn bij onze vrienden in het culturele niemandsland dat Costa Blanca heet. Met mijn rugzak (laptop met toebehoren, externe harde schijf, iPod, nog wat losse elektronica), vier kilo tijdschriften, wat boeken en een stuk belegen boerenkaas probeer ik vervolgens de barrière van de controlepoortjes te nemen. Mijn met koper beslagen zelfmoordriem heb ik thuis achtergelaten, mijn telefoon zit in mijn tas, net als alle ijzerwaren die normaal in mijn broekzakken zitten. Maar toch geven alle systemen vandaag terreuralarm af. Ik word van top tot teen gefouilleerd, moet mijn imposante bergschoenen uitdoen (de fietsclub van Jalón maakt zaterdag een amandelbomen-bloesemwandeling) en word onderworpen aan een derdegraads verhoor over een zakmes dat zich in mijn rugzak zou bevinden. Ik ontken in alle toonaarden, maar de beambte die mijn spullen een voor een uitpakt vindt uiteindelijk een Gall & Gall-kurketrekker die we op vrijdagmiddag op de krant gebruiken om een redactiewijntje open te trekken. Als alles wat ik bij me heb nog een keer door de scanner is gegaan - inclusief mijn bergschoenen en het stuk boerenkaas, want je weet maar nooit - mag ik door. Ruim twee uur en een bonkige landing verder zit ik mijn Hollandse verkoudheid uit te zweten in een auto die opwarmt bij een temperatuur van 24 graden. Op het terras van onze vrienden wordt copieus in het zonnetje geluncht - inclusief twee bescheiden roseetjes - maar mijn verstopte neus gaat 's middags pas echt open tijdens onze eerste fietstocht naar Fleix, waar we hellinkjes van een procent of zestien moeten nemen. Er is geen betere remedie tegen een beginnend griepje dan hartslag 185. Ging ik hier vorig jaar niet veel soepeler omhoog? Mijn dag begon en eindigt met een weegschaal, dit keer in de badkamer van het huis in Jalón. Hij wijst consequent zes kilo teveel aan. Het meisje van Vueling is gelukkig nergens te bekennen.

 

 


 

 

 

 

Vrijdag 16 februari

 

Als ik nu in Nederland was geweest, had ik met mijn zere keel en snotterneus een bekertje Hot Coldrex genomen en was ik lekker bij de kachel gekropen. Nu rijd ik in korte broek en shirt met korte mouwen een bergetappe van meer dan 100 kilometer, waarbij we in totaal 1450 meter hoogteverschil overbruggen. De route naar Vall d'Ebo gaat over een klassieke bergpas met mooie haarspeldbochten. Mijn rentenierende vriend en ik kunnen hem op reserve rijden: er zijn een paar steile stukjes van 13 procent maar verder is hij goed te doen. Dat geldt niet voor het gedeelte na Vall d'Ebo, waar de weg stijgt en daalt met percentages van 16 (dat staat op de borden) tot 20 procent (zo voelt het). Ik ben niet helemaal fit, kan ik met recht tegen mijn fietsmaat zeggen, als ik enkele tientallen meters na hem boven kom. Dat is maar gedeeltelijk te wijten aan mijn trainingsachterstand. Ik snuit omstandig mijn neus en dep mijn waterige ogen. Maar voort gaat het weer. De thermometer op mijn fietscomputer wijst gemiddeld 23 graden Celsius aan, maar in de beschaduwde afdalingen kan het behoorlijk afkoelen. Dan komen de windstoppertjes tevoorschijn. Halverwege stoppen we voor de lunch in Al Patro, een karakteristiek Spaans dorpje. Het minuscule terras (2 tafeltjes) van bar Keles ligt vol in de zon. El patron brengt een voedzame maaltijd, met brood, salade, varkensvlees, inktvis, patatten en een fles wijn. Hot Coldrex heeft hij niet, maar we nemen genoegen met een lekker stuk taart en koffie met cognac. Dat is ook goed, als je niet helemaal fit bent.

   

 
 

Zaterdag 17 februari

Eigenlijk zou je elke dag wakker moeten worden met de zon op je gezicht. Lekker met een kopje thee de koesterende stralen in je opnemen en je langzaam overgeven aan het idee dat je de hele wereld aan kunt. Die gedachte vervliegt een uur later als we de Bernia beklimmen. Mijn rentenierende fietsmaat en coach heeft - gelukkig zonder zich iets aan te trekken van mijn superieure ochtendgevoelens - na de lange tocht van gisteren een route van 54 kilometer uitgestippeld. Maar wel eentje die een hoogteverschil van 750 meter overbrugt (zie profiel). En bij de langste beklimming, die van de Bernia, slaat de pap in mijn benen. Een week geleden werd hier voor de beste amateur-wielrenners in de provincie Marina Alta nog een klimtijdrit georganiseerd waarbij de snelheid van de toppers op 28 kilometer per uur lag. Dat is nu ongeveer de temperatuur die mijn fietscomputer in de volle zon aangeeft. Mijn snelheid ligt iets boven de 11 kilometer per uur en ik krijg er gewoon niet meer uitgeperst. Als mijn fietsmaat had voorgesteld om halverwege te keren, had ik het gedaan. Maar dat doet hij niet. Ik leeg - bij een luchtvochtigheid van 23 procent - de ene bidon water na de andere, maar ik blijf droge lippen en een dito keel houden. Typisch geval van de droogteklop. Daar houd ik het maar op. In de afdeling stoppen we bij een terrasje voor koffie, cola en mineraalwater en zien we een groepje profs voor een volgwagen uit naar boven racen. Ze zijn jong, slank en scherp en ik voel me oud, dik en slap. Als ik 's middags boven mijn lamsbout zit op het zonovergoten terras van restaurant Valbón in Alcalali kan ik me wat gemakkelijker met die gedachte verzoenen. Schenk nog maar eens in, camarero. Op de gewone fietsen rijden we door de amandelbloesem en de sinaasappelboomgaarden naar huis en laten ons voldaan onderuit zakken in de ligstoelen. Eigenlijk zou je elke dag in slaap moeten vallen met de zon op je gezicht.

   

 
 

Zondag 18 februari

Rare jongens, die Spanjaarden. Op zaterdag gaat bij ons om 07.00 uur de wekker af omdat we gaan wandelen met... de fietsclub. Ik ben hier te gast, dus het 'waarom?' krijg ik niet over mijn lippen. We hadden om 10.00 uur ook met juf Carmen van de Spaanse les uit het dorp een bloesemtocht in de vallei kunnen lopen, maar wij prefereren het gezelschap van echte Spanjaarden. De wandelgroep van de Club Ciclista Xaló bestaat deze morgen uit drie Nederlanders (mijn rentenierende vrienden en ik) en drie lokalo's: Juan, Gabi en Thomas, de dorpsdokter. Dat is handig, als we onderweg een been breken. We verzamelen bij bar Juan (een andere Juan), en zien tot ons genoegen dat de Spanjaarden een Nederlandse gewoonte hebben overgenomen. Gabi heeft een thermosfles bij zich, met koffie, veronderstellen wij. Maar het is een thermosfles zonder koffie. Gabi loopt naar de bar, bestelt zes espresso's en laat die door de ober één voor één in de thermosfles gieten. Niks Hollandse kneuterigheid. Wij gaan met de fiets en de Spanjaarden met de auto naar de voet van de bergketen aan de rand van het dorp en lopen daar via geiten- en koeienpaadjes (er liggen verse keutels, maar de toros laten zich niet zien) omhoog. Het is een pittige klim waarbij al na een paar honderd meter onze fleecetruien uitgaan. Alleen de Spanjaarden hebben nergens last van. Terwijl ik omhoog sjok in mijn doorweekte zwarte T-shirt houden zij hun trui en hun jas aan, en heeft gids Gabi zelfs een ijsmuts op. Geen druppeltje zweet komt eronder vandaan. We worden beloond met een fantastisch uitzicht: we kijken over valleien en bergen, en zien in de nevel de eilanden Ibiza en Formentera liggen. Bij de picknick op de top blijkt andermaal hoeveel beter de lokalo's zich op deze tocht hebben voorbereid: onze bidons met water steken schril af tegen de bota (een kleine wijnzak) en de literflessen bier die uit hun rugzakken komen. Gabi deelt zijn espresso in kleine plastic kopjes en er gaan zakken chips en pinda's rond. Dan dalen we via dezelfde route weer af, heel voorzichtig, om onze achillespezen te ontzien. Want morgen moet er weer worden gefietst. Nee, niet met de wandelclub.  

   

 
 

 

Maandag 19 februari

Het gespannen opvangen van signalen van mogelijke neerslag herken ik van de vroege zondagmorgen met mijn eigen clubje, de Noordbikers uit Noordwijk. Hier in Spanje leggen wij rond zeven uur - mijn rentenierende vrienden in de ene, en ik in de andere slaapkamer - op dezelfde manier onze oren te luister. Is dat het ruisen van de palm voor ons raam? Of een bui? In Spanje is de regel nog nadrukkelijker dan bij ons in Nederland: bij regen wordt er niet gefietst. Na een lange periode van droogte komt hier een laagje blubberfilm op de weg te liggen, die spekglad is als hij nat wordt. Vooral afdalen is dan een levensgevaarlijke onderneming. Deze zondagmorgen is het weliswaar bewolkt maar droog, al staat er wel een stevige wind. Er komen bij het verzamelpunt bar Rincón in Jalón tien fietsers opdagen: drie Nederlanders, twee Engelsen en vijf Spanjaarden. Onze route wordt voor een deel bepaald door het carnaval, dat afgelopen nacht in alle hevigheid is losgebarsten. We kunnen niet over Pego, waar nog teveel dronken volk over straat loopt. Maar ook onderweg is het niet helemaal veilig. Bij Orba heeft een verklede feestganger zijn auto in een flauwe bocht van een helling met een flinke snelheid tegen een betonpaal geparkeerd. Goed dat wij niet van de andere kant kwamen. Onze fietsclub splitst zich na een kilometer of tien: drie Spanjaarden en mijn rentenierende vriendin vinden dat er teveel wind staat en snijden een stuk af. De twee Spanjaarden die zich wel bij ons (twee Hollanders en twee Engelsen) aansluiten, volgen dat voorbeeld een kwartiertje later. Maar ik voel me in mijn element: een redelijk vlakke route en een stevige bries. In Nederland weet ik op de racefiets niet beter. Als buitenlanders nemen we wel de Spaanse gewoonte van de almuerzo over: in La Xara duiken we rond een uur of tien een bar in voor brood en wijn. Net als in de kerk, zegt Gareth, één van de Engelsen. Bijna weer terug in Jalón halen we de rest van de fietsclub weer in, die zich - na een kortere route en een valpartij die een van de Spanjaarden uitschakelde - heeft getrakteerd op een uitgebreider maal met brood, wijn en vis. En ook daar is in religieus opzicht op de zondagmorgen natuurlijk niks mis mee. 

 
 

Dinsdag 20 februari

Een fietsroute van een kilometertje of 130 hadden we in gedachten, maar in de ochtenduren - echt waar - goot het van de regen. Vandaar dat we besloten tot een regeldagje. Wijn halen bij de coöperatie in het dorp (vijf liter wit en vijf liter rosé voor 8,50 euro; de benzine - 97 eurocent per liter - is duurder) en in Altea de kentekenplaten met toebehoren oppikken voor een geïmporteerde auto, verzekering afsluiten, dat werk. Op weg naar de kust trok het al een beetje open en kwamen we de ene na de andere wielrenner tegen. En in Altea zelf werd het compleet zonnig, waardoor we na gedane zaken de boulevard maar opzochten voor een biertje met tapas en daarna nog een menuutje - flesje wit erbij - op een mooi terras. In emails naar het verre vaderland doen onze rentenierende vrienden er altijd heel tobberig over, maar dit schijnt het normale verloop van 'regeldagjes' voor pensionado's te zijn. Je loopt naar binnen bij een zogenaamde 'gestor' (in de regel een Nederlander met een administratiekantoor die de weg weet in de ondoorzichtige Spaanse regelgeving), zegt wat je wilt hebben, bedankt er vriendelijk voor en binnen een paar minuten sta je weer buiten. De rekening volgt later. Alleen het frauderen met hun AOW-uitkering doen ze op eigen kracht, mag je hopen. Toen zelfs op de boulevard van Altea de wielrenners rond ons tafeltje begonnen te cirkelen, moesten wij er 's middags ook aan geloven. Een rondje door de vallei van een kilometer of vijftig. Meer zat er na de tapas, de paëlla, het bier en de witte wijn niet in. Maar dit was tenslotte een regeldagje.

 
 

Woensdag 21 februari

Vijf internetsites raadpleegt mijn rentenierende vriend elke dag om te bekijken welk weer het wordt, maar voor vandaag zitten ze er allemaal naast. Er is ons een dijk van een depressie beloofd, met bewolking en regen, op basis waarvan wij rond een uur of twee hebben gereserveerd in een mooi restaurant, Casa Cantó in Benissa. Je moet toch wat. Maar we staan op met een schraal zonnetje en het is droog, waardoor er op deze laatste dag van het trainingskamp toch kan worden gefietst. We rijden langs de kust naar Javea, beklimmen de Montgo, een puist van een berg waarvan de weg gelukkig de makkelijkste route volgt. Daarna gaat het richting Denia, waar we in de grootste fietsenwinkel uit de wijde omtrek kijken of het nieuwste wielrenshirt van Team Discovery al te koop is. Vanaf 2 maart pas, señor. Onderweg komen we wel twee echte profs van Discovery tegen, in het nieuwe shirt. Zij rijden bij Orba naar beneden, waar wij omhoog klimmen, dus of het nu Basso of Popovitsj is die ons passeerde, zullen we nooit weten. En puf om ze in te halen, hadden we ook niet meer. Onderweg stoppen we voor fotoshoots bij sinaasappelstalletjes en vissersbootjes. De thermometer op onze fietscomputer is inmiddels opgeklommen van 10 tot 23 graden. Bijna 100 kilometer hebben we op de teller staan als we rond half twee weer bij het huis in Jalón aankomen. Onze zwetende lijven moeten worden gedoucht voor Casa Cantó, maar nadat we eerder in de week verstoken waren van stroom, hebben we nu geen water. De deo-spuit doet wonderen. Tussen de middag zijn we hier gewend aan wielrenmenuutjes van een euro of acht, maar het is verbazingwekkend wat ze voor 26,50 euro met het menu Casa Cantó voor je op tafel zetten. Kom er maar eens om, in ons eigen mooie vaderland. En de aankleding en het uitzicht zijn ook nog top. We rijden met de zon op de voorruit terug naar Vall del Pop, in de hoop nog twee uurtjes op het terras de voorbije dagen te overpeinzen. Maar omringd door de bergen is het bij het huis bewolkt en nevelig. Logisch, niet minder dan vijf internetsites hadden ons dat voor vandaag voorspeld.

 
 

Donderdag 22 februari

Of hij zijn vader nog een beetje miste, wilde mijn vrouw van mijn zoon weten. 'Jazeker', zei hij, 'maar het leven gaat door. Dus eigenlijk merk ik er niet zoveel van.' Als man weet je dan dat het tijd is om terug te keren naar huis en je positie in het gezin weer in te nemen. Ruim 400 kilometer hebben we gefietst, de afgelopen week, en een aantal duizenden hoogtemeters zijn er overbrugd. Dat hadden er meer kunnen zijn, maar voor zo vroeg in het seizoen is het helemaal niet gek. Ik wilde in deze trainingsweek 6,5 kilo afvallen, maar het positieve nieuws is dat ik met al het goede van het Spaanse land niet ben aangekomen. Ik heb even kunnen ruiken aan de naderende lente en mijn eerste verbrande neus van dit jaar opgelopen. En weer een paar dagen kunnen optrekken met mijn rentenierende fietsmaat en de leden van de Club Ciclista Xaló. Wat kan een week die een eeuwigheid lijkt, zo snel voorbij vliegen. In een druilerige motregen vertrok ik gistermorgen vanaf Valencia, zodat de overgang naar de regen op Schiphol niet eens zo groot was. Een paar uur later stond ik achter de tap van de basketbalvereniging voor mijn maandelijkse bardienst en sinds vanmorgen zit ik weer achter mijn bureau op de redactie. En dat is dan wel een cultuurschok, vergeleken met het relaxte, gastvrije Spaanse leventje bij mijn vrienden in Jalón, die na mijn vertrek onmiddellijk weer terugzakten in hun levensritme van jongbejaarden (inclusief middagdutje). Maar het leven gaat door, aldus mijn kleine huisfilosoof. En als het nog een kleine twee maanden doorgaat, mag ik alweer terug naar Spanje.