|
Donderdag 15
februari
Het
wijzertje naast de weegschaal van de lopende
band is onverbiddellijk: de tas die ik de dag
ervoor nog met twee vingers kon optillen - hoe
zwaar kunnen een paar wielrenbroekjes nu zijn? -
blijkt opeens meer dan 24,5 kilo. Het meisje van
de Vueling-balie is onverbiddellijk. Er moet wat
uit. Het maximum is 20 kilo, daarboven moet ik
voor elke kilo betalen. Wat ik uit mijn tas haal,
mag gek genoeg wel als handbagage mee. Daar
wordt het vliegtuig niet lichter van, wil ik
bijdehand opmerken, maar het is mijn ervaring om
niet met dit soort functionarissen in discussie
te gaan. Ook tot mijn eigen verbazing haal ik er
een enorme stapel tijdschriften, een kilo
belegen boerenkaas en een aantal boeken uit, die
van harte welkom moeten zijn bij onze vrienden
in het culturele niemandsland dat Costa Blanca
heet. Met mijn rugzak (laptop met toebehoren,
externe harde schijf, iPod, nog wat losse
elektronica), vier kilo tijdschriften, wat
boeken en een stuk belegen boerenkaas probeer ik
vervolgens de barrière van de controlepoortjes
te nemen. Mijn met koper beslagen zelfmoordriem
heb ik thuis achtergelaten, mijn telefoon zit in
mijn tas, net als alle ijzerwaren die normaal in
mijn broekzakken zitten. Maar toch geven alle
systemen vandaag terreuralarm af. Ik word van
top tot teen gefouilleerd, moet mijn imposante
bergschoenen uitdoen (de fietsclub van Jalón
maakt zaterdag een amandelbomen-bloesemwandeling)
en word onderworpen aan een derdegraads verhoor
over een zakmes dat zich in mijn rugzak zou
bevinden. Ik ontken in alle toonaarden, maar de
beambte die mijn spullen een voor een uitpakt
vindt uiteindelijk een Gall & Gall-kurketrekker
die we op vrijdagmiddag op de krant gebruiken om
een redactiewijntje open te trekken. Als alles
wat ik bij me heb nog een keer door de scanner
is gegaan - inclusief mijn bergschoenen en het
stuk boerenkaas, want je weet maar nooit - mag
ik door. Ruim twee uur en een bonkige landing
verder zit ik mijn Hollandse verkoudheid uit te
zweten in een auto die opwarmt bij een
temperatuur van 24 graden. Op het terras van
onze vrienden wordt copieus in het zonnetje
geluncht - inclusief twee bescheiden roseetjes -
maar mijn verstopte neus gaat 's middags pas
echt open tijdens onze eerste fietstocht naar
Fleix, waar we hellinkjes van een procent of
zestien moeten nemen. Er is geen betere remedie
tegen een beginnend griepje dan hartslag 185.
Ging ik hier vorig jaar niet veel soepeler
omhoog? Mijn dag begon en eindigt met een
weegschaal, dit keer in de badkamer van het huis
in Jalón. Hij wijst consequent zes kilo teveel
aan. Het meisje van Vueling is gelukkig nergens
te bekennen.
 
Vrijdag 16
februari
Als
ik nu in Nederland was geweest, had ik met mijn
zere keel en snotterneus een bekertje Hot
Coldrex genomen en was ik lekker bij de kachel
gekropen. Nu rijd ik in korte broek en shirt met
korte mouwen een bergetappe van meer dan 100
kilometer, waarbij we in totaal 1450 meter
hoogteverschil overbruggen. De route naar Vall
d'Ebo gaat over een klassieke bergpas met mooie
haarspeldbochten. Mijn rentenierende vriend en
ik kunnen hem op reserve rijden: er zijn een
paar steile stukjes van 13 procent maar verder
is hij goed te doen. Dat geldt niet voor het
gedeelte na Vall d'Ebo, waar de weg stijgt en
daalt met percentages van 16 (dat staat op de
borden) tot 20 procent (zo voelt het). Ik ben
niet helemaal fit, kan ik met recht tegen mijn
fietsmaat zeggen, als ik enkele tientallen
meters na hem boven kom. Dat is maar
gedeeltelijk te wijten aan mijn
trainingsachterstand. Ik snuit omstandig mijn
neus en dep mijn waterige ogen. Maar voort gaat
het weer. De thermometer op mijn fietscomputer
wijst gemiddeld 23 graden Celsius aan, maar in
de beschaduwde afdalingen kan het behoorlijk
afkoelen. Dan komen de windstoppertjes
tevoorschijn. Halverwege stoppen we voor de
lunch in Al Patro, een karakteristiek Spaans
dorpje. Het minuscule terras (2 tafeltjes) van
bar Keles ligt vol in de zon. El patron brengt
een voedzame maaltijd, met brood, salade,
varkensvlees, inktvis, patatten en een fles
wijn. Hot Coldrex heeft hij niet, maar we nemen
genoegen met een lekker stuk taart en koffie met
cognac. Dat is ook goed, als je niet helemaal
fit bent.

Zaterdag 17 februari
Eigenlijk
zou je elke dag wakker moeten worden met de zon
op je gezicht. Lekker met een kopje thee de
koesterende stralen in je opnemen en je langzaam
overgeven aan het idee dat je de hele wereld aan
kunt. Die gedachte vervliegt een uur later als
we de Bernia beklimmen. Mijn rentenierende
fietsmaat en coach heeft - gelukkig zonder zich
iets aan te trekken van mijn superieure
ochtendgevoelens - na de lange tocht van
gisteren een route van 54 kilometer
uitgestippeld. Maar wel eentje die een
hoogteverschil van 750 meter overbrugt (zie
profiel). En bij de langste beklimming, die van
de Bernia, slaat de pap in mijn benen. Een week
geleden werd hier voor de beste
amateur-wielrenners in de provincie Marina Alta
nog een klimtijdrit georganiseerd waarbij de
snelheid van de toppers op 28 kilometer per uur
lag. Dat is nu ongeveer de temperatuur die mijn
fietscomputer in de volle zon aangeeft. Mijn
snelheid ligt iets boven de 11 kilometer per uur
en ik krijg er gewoon niet meer uitgeperst. Als
mijn fietsmaat had voorgesteld om halverwege te
keren, had ik het gedaan. Maar dat doet hij
niet. Ik leeg - bij een luchtvochtigheid van 23
procent - de ene bidon water na de andere, maar
ik blijf droge lippen en een dito keel houden.
Typisch geval van de droogteklop. Daar houd ik
het maar op. In de afdeling stoppen we bij een
terrasje voor koffie, cola en mineraalwater en
zien we een groepje profs voor een volgwagen uit
naar boven racen. Ze zijn jong, slank en scherp
en ik voel me oud, dik en slap. Als ik 's
middags boven mijn lamsbout zit op het
zonovergoten terras van restaurant Valbón in
Alcalali kan ik me wat gemakkelijker met die
gedachte verzoenen. Schenk nog maar eens in,
camarero. Op de gewone fietsen rijden we door de
amandelbloesem en de sinaasappelboomgaarden naar
huis en laten ons voldaan onderuit zakken in de
ligstoelen. Eigenlijk zou je elke dag in slaap
moeten vallen met de zon op je gezicht.

Zondag 18 februari
Rare
jongens, die Spanjaarden. Op zaterdag gaat bij
ons om 07.00 uur de wekker af omdat we gaan
wandelen met... de fietsclub. Ik ben hier te
gast, dus het 'waarom?' krijg ik niet over mijn
lippen. We hadden om 10.00 uur ook met juf
Carmen van de Spaanse les uit het dorp een
bloesemtocht in de vallei kunnen lopen, maar wij
prefereren het gezelschap van echte Spanjaarden.
De wandelgroep van de Club Ciclista Xaló bestaat
deze morgen uit drie Nederlanders (mijn
rentenierende vrienden en ik) en drie lokalo's:
Juan, Gabi en Thomas, de dorpsdokter. Dat is
handig, als we onderweg een been breken. We
verzamelen bij bar Juan (een andere Juan), en
zien tot ons genoegen dat de Spanjaarden een
Nederlandse gewoonte hebben overgenomen. Gabi
heeft een thermosfles bij zich, met koffie,
veronderstellen wij. Maar het is een thermosfles
zonder koffie. Gabi loopt naar de bar, bestelt
zes espresso's en laat die door de ober één voor
één in de thermosfles gieten. Niks Hollandse
kneuterigheid. Wij gaan met de fiets en de
Spanjaarden met de auto naar de voet van de
bergketen aan de rand van het dorp en lopen daar
via geiten- en koeienpaadjes (er liggen verse
keutels, maar de toros laten zich niet zien)
omhoog. Het is een pittige klim waarbij al na
een paar honderd meter onze fleecetruien
uitgaan. Alleen de Spanjaarden hebben nergens
last van. Terwijl ik omhoog sjok in mijn
doorweekte zwarte T-shirt houden zij hun trui en
hun jas aan, en heeft gids Gabi zelfs een
ijsmuts op. Geen druppeltje zweet komt eronder
vandaan. We worden beloond met een fantastisch
uitzicht: we kijken over valleien en bergen, en
zien in de nevel de eilanden Ibiza en Formentera
liggen. Bij de picknick op de top blijkt
andermaal hoeveel beter de lokalo's zich op deze
tocht hebben voorbereid: onze bidons met water
steken schril af tegen de bota (een kleine
wijnzak) en de literflessen bier die uit hun
rugzakken komen. Gabi deelt zijn espresso in
kleine plastic kopjes en er gaan zakken chips en
pinda's rond. Dan dalen we via dezelfde route
weer af, heel voorzichtig, om onze achillespezen
te ontzien. Want morgen moet er weer worden
gefietst. Nee, niet met de wandelclub.

Maandag 19 februari
Het
gespannen opvangen van signalen van mogelijke
neerslag herken ik van de vroege zondagmorgen
met mijn eigen clubje, de Noordbikers uit
Noordwijk. Hier in Spanje leggen wij rond zeven
uur - mijn rentenierende vrienden in de ene, en
ik in de andere slaapkamer - op dezelfde manier
onze oren te luister. Is dat het ruisen van de
palm voor ons raam? Of een bui? In Spanje is de
regel nog nadrukkelijker dan bij ons in
Nederland: bij regen wordt er niet gefietst. Na
een lange periode van droogte komt hier een
laagje blubberfilm op de weg te liggen, die
spekglad is als hij nat wordt. Vooral afdalen is
dan een levensgevaarlijke onderneming. Deze
zondagmorgen is het weliswaar bewolkt maar
droog, al staat er wel een stevige wind. Er
komen bij het verzamelpunt bar Rincón in Jalón
tien fietsers opdagen: drie Nederlanders, twee
Engelsen en vijf Spanjaarden. Onze route wordt
voor een deel bepaald door het carnaval, dat
afgelopen nacht in alle hevigheid is
losgebarsten. We kunnen niet over Pego, waar nog
teveel dronken volk over straat loopt. Maar ook
onderweg is het niet helemaal veilig. Bij Orba
heeft een verklede feestganger zijn auto in een
flauwe bocht van een helling met een flinke
snelheid tegen een betonpaal geparkeerd. Goed
dat wij niet van de andere kant kwamen. Onze
fietsclub splitst zich na een kilometer of tien:
drie Spanjaarden en mijn rentenierende vriendin
vinden dat er teveel wind staat en snijden een
stuk af. De twee Spanjaarden die zich wel bij
ons (twee Hollanders en twee Engelsen)
aansluiten, volgen dat voorbeeld een kwartiertje
later. Maar ik voel me in mijn element: een
redelijk vlakke route en een stevige bries. In
Nederland weet ik op de racefiets niet beter.
Als buitenlanders nemen we wel de Spaanse
gewoonte van de almuerzo over: in La Xara duiken
we rond een uur of tien een bar in voor brood en
wijn. Net als in de kerk, zegt Gareth, één van
de Engelsen. Bijna weer terug in Jalón halen we
de rest van de fietsclub weer in, die zich - na
een kortere route en een valpartij die een van
de Spanjaarden uitschakelde - heeft getrakteerd
op een uitgebreider maal met brood, wijn en vis.
En ook daar is in religieus opzicht op de
zondagmorgen natuurlijk niks mis mee.

Dinsdag 20 februari
Een
fietsroute van een kilometertje of 130 hadden we
in gedachten, maar in de ochtenduren - echt waar
- goot het van de regen. Vandaar dat we besloten
tot een regeldagje. Wijn halen bij de coöperatie
in het dorp (vijf liter wit en vijf liter rosé
voor 8,50 euro; de benzine - 97 eurocent per
liter - is duurder) en in Altea de
kentekenplaten met toebehoren oppikken voor een
geïmporteerde auto, verzekering afsluiten, dat
werk. Op weg naar de kust trok het al een beetje
open en kwamen we de ene na de andere wielrenner
tegen. En in Altea zelf werd het compleet
zonnig, waardoor we na gedane zaken de boulevard
maar opzochten voor een biertje met tapas en
daarna nog een menuutje - flesje wit erbij - op
een mooi terras. In emails naar het verre
vaderland doen onze rentenierende vrienden er
altijd heel tobberig over, maar dit schijnt het
normale verloop van 'regeldagjes' voor
pensionado's te zijn. Je loopt naar binnen bij
een zogenaamde 'gestor' (in de regel een
Nederlander met een administratiekantoor die de
weg weet in de ondoorzichtige Spaanse
regelgeving), zegt wat je wilt hebben, bedankt
er vriendelijk voor en binnen een paar minuten
sta je weer buiten. De rekening volgt later.
Alleen het frauderen met hun AOW-uitkering doen
ze op eigen kracht, mag je hopen. Toen zelfs op
de boulevard van Altea de wielrenners rond ons
tafeltje begonnen te cirkelen, moesten wij er 's
middags ook aan geloven. Een rondje door de
vallei van een kilometer of vijftig. Meer zat er
na de tapas, de paëlla, het bier en de witte
wijn niet in. Maar dit was tenslotte een
regeldagje.

Woensdag 21 februari
Vijf
internetsites raadpleegt mijn rentenierende
vriend elke dag om te bekijken welk weer het
wordt, maar voor vandaag zitten ze er allemaal
naast. Er is ons een dijk van een depressie
beloofd, met bewolking en regen, op basis
waarvan wij rond een uur of twee hebben
gereserveerd in een mooi restaurant,
Casa Cantó
in Benissa. Je moet toch wat. Maar we staan op
met een schraal zonnetje en het is droog,
waardoor er op deze laatste dag van het
trainingskamp toch kan worden gefietst. We
rijden langs de kust naar Javea, beklimmen de
Montgo, een puist van een berg waarvan de weg
gelukkig de makkelijkste route volgt. Daarna
gaat het richting Denia, waar we in de grootste
fietsenwinkel uit de wijde omtrek kijken of het
nieuwste wielrenshirt van Team Discovery al te
koop is. Vanaf 2 maart pas, señor. Onderweg
komen we wel twee echte profs van Discovery
tegen, in het nieuwe shirt. Zij rijden bij Orba
naar beneden, waar wij omhoog klimmen, dus of
het nu Basso of Popovitsj is die ons passeerde,
zullen we nooit weten. En puf om ze in te halen,
hadden we ook niet meer. Onderweg stoppen we
voor fotoshoots bij sinaasappelstalletjes en
vissersbootjes. De thermometer op onze
fietscomputer is inmiddels opgeklommen van 10
tot 23 graden. Bijna 100 kilometer hebben we op
de teller staan als we rond half twee weer bij
het huis in Jalón aankomen. Onze zwetende lijven
moeten worden gedoucht voor Casa Cantó, maar
nadat we eerder in de week verstoken waren van
stroom, hebben we nu geen water. De deo-spuit
doet wonderen. Tussen de middag zijn we hier
gewend aan wielrenmenuutjes van een euro of
acht, maar het is verbazingwekkend wat ze voor
26,50 euro met het menu Casa Cantó voor je op
tafel zetten. Kom er maar eens om, in ons eigen
mooie vaderland. En de aankleding en het
uitzicht zijn ook nog top. We rijden met de zon
op de voorruit terug naar Vall del Pop, in de
hoop nog twee uurtjes op het terras de voorbije
dagen te overpeinzen. Maar omringd door de
bergen is het bij het huis bewolkt en nevelig.
Logisch, niet minder dan vijf internetsites
hadden ons dat voor vandaag voorspeld.

Donderdag 22 februari
Of
hij zijn vader nog een beetje miste, wilde mijn
vrouw van mijn zoon weten. 'Jazeker', zei hij,
'maar het leven gaat door. Dus eigenlijk merk ik
er niet zoveel van.' Als man weet je dan dat het
tijd is om terug te keren naar huis en je
positie in het gezin weer in te nemen. Ruim 400
kilometer hebben we gefietst, de afgelopen week,
en een aantal duizenden hoogtemeters zijn er
overbrugd. Dat hadden er meer kunnen zijn, maar
voor zo vroeg in het seizoen is het helemaal
niet gek. Ik wilde in deze trainingsweek 6,5
kilo afvallen, maar het positieve nieuws is dat
ik met al het goede van het Spaanse land niet
ben aangekomen. Ik heb even kunnen ruiken aan de
naderende lente en mijn eerste verbrande neus
van dit jaar opgelopen. En weer een paar dagen
kunnen optrekken met mijn rentenierende
fietsmaat en de leden van de Club Ciclista Xaló.
Wat kan een week die een eeuwigheid lijkt, zo
snel voorbij vliegen. In een druilerige motregen
vertrok ik gistermorgen vanaf Valencia, zodat de
overgang naar de regen op Schiphol niet eens zo
groot was. Een paar uur later stond ik achter de
tap van de basketbalvereniging voor mijn
maandelijkse bardienst en sinds vanmorgen zit ik
weer achter mijn bureau op de redactie. En dat
is dan wel een cultuurschok, vergeleken met het
relaxte, gastvrije Spaanse leventje bij mijn
vrienden in Jalón, die na mijn vertrek
onmiddellijk weer terugzakten in hun levensritme
van jongbejaarden (inclusief middagdutje). Maar
het leven gaat door, aldus mijn kleine
huisfilosoof. En als het nog een kleine twee
maanden doorgaat, mag ik alweer terug naar
Spanje.

|