|
Uit: de dagbladen van HDCmedia, 8 april
2010, door Dick van der Plas.
Trainingskamp
Het dekbed van de echtelijke
sponde ligt al uren bezaaid onder
stapeltjes vrolijk gekleurde wielerkleding.
Ik haal er setjes af, leg
er andere setjes voor terug. Wissel
schoenen, sta minuten lang met een helm in
mijn hand en loop handschoentjes en sokken
na op scheurtjes of gaten. Zoals alleen
zwarte mannen elkaar mogen uitschelden voor
neger en ouders van een kind met het
Syndroom van Down iemand een mongool mogen
noemen, zo is ook deze kwalificatie alleen
voorbehouden aan wat voor mij de andere
sekse is. 'Je lijkt wel een vrouw', zegt
mijn eega misprijzend.
Het
was eigenlijk niet de bedoeling omdat ik
voor mezelf dit jaar al -
los van het gezin - twee fietsvakanties heb
geregeld. Begin juli rijd ik in Italië de
Dolomietenmarathon en in september viert de
gelegenheidsclub HTWV (Hijgend Trekken Wij
Voort) een jubileum met een weekje trappen
in de Vogezen. En echt hoor, ik heb helemaal
niet gezeurd, verdrietig gekeken of
wekenlang geslijmd om mijn echtgenote zover
te krijgen dat ze op een zondagavond, zomaar
vanuit haar luie stoel, zei: 'Moet je niet
ook nog een weekje naar je rentenierende
vriend in Spanje?'
'Ik zat er net aan te denken', antwoordde ik
naar waarheid.
(Nog even tellen: zes fietstruitjes, voor
elke dag één, met in elk
geval mijn Marmotteshirt, het zwarte
HTWV-tenue, de shirtjes van mijn
fietsclubs en natuurlijk het tenue van de
Spaanse club in Xaló. Een
driekwart broek van de club, twee
windstoppers, een regenjack, zes
zweethempjes en mijn dure Assos-broek voor
de langste ritten.)
Het is een wonder dat ik dit jaar op deze
plek nog niet vaker over
racefietsen heb geschreven, want mijn leven
wordt er meer dan ooit
door beheerst. Ook allemaal de schuld van
mijn vrouw. Haar appèl aan
mij om ook eens wat terug te doen voor de
maatschappij, heb ik
vertaald in een indrukwekkende
bestuursfunctie van de Afdeling
Wielersport van onze lokale ijsclub, waar ik
sinds enige maanden de
clubkas beheer, de ledenadministratie doe en
mij verder bemoei met
alle lopende bestuurskwesties. Of dit
helemaal is wat ze bedoelde,
weet ik niet, maar elke keer als ik niet op
mijn wielerschoenen maar
met een ordner onder mijn arm het huis
verlaat, prijst ze me uitbundig
voor mijn inzet.
Het zal waarschijnlijk ook Hare Majesteit
niet ontgaan, mocht het haar
over twintig jaar behagen mij niet alleen
voor mijn verzamelde
educatieve columns maar ook voor mijn
verdiensten voor de lokale
wielersport de versierselen behorend bij het
Lid in de Orde van Oranje
Nassau op te spelden.
(Verder nog: drie paar handschoentjes, twee
bandana's voor onder mijn
helm - zodat het zweet niet in mijn ogen
loopt - armstukken,
beenstukken, twee paar schoenen met zowel
Look als SPD-pedalen, mijn
helm, bril, mijn band voor de hartslagmeter.
Zes paar fietssokjes.)
Het fietsen mag er natuurlijk niet onder
lijden. Na een winter op de
mountainbike heb ik op de racefiets
inmiddels honderden
trainingskilometers, de Joop Zoetemelk
Classic en de Rabo Bergtoer
vanuit Ochten in de benen. Maar of ik klaar
ben voor wat mij nu in
Spanje te wachten staat? Door een
maandenlange verbouwing aan zijn
huis was mijn rentenierende vriend vorig
jaar niet in goede doen.
Zelfs bergop reed ik hem eruit. Maar nu,
dankzij de crisis, staan zijn
werkloze, Spaanse fietsmaatjes bijna elke
dag gretig afgetraind voor
zijn deur.
(Een trainingsbroek voor na de rit, mijn
verzameling T-shirts
(Limburgs Mooiste, Lance Armstrong), warme
trui, slippers. In mijn
toilettas de sudocrème tegen schuurplekken
op de billen, Pro-Fit
Ibuprofen-gel tegen zere knieën, mijn Braun
bodycruzer tegen de
laatste windharen die ik op mijn geschoren
benen tegenkom.)
'Zou je ook niet wat gewone kleren
meenemen?', zegt mijn vrouw. 'En
een paar schone onderbroeken?'
In dat opzicht blijf ik gelukkig een echte
kerel.
| |
|
|
|
Maandag 12 april
Jalón, Spanje
De
laatste tocht van onze trainingsweek
geldt normaliter als de
Koninginnerit. Niet eens zozeer qua
afstand - hoewel de 157 kilometer
van vandaag er ook behoorlijk
inhakte - maar vooral qua
hoogtemeters: 2700, dit keer. En dat
met oude lijven die in zes dagen
tijd al zo'n 40 uur op de fiets
hebben gezeten. De benen voelden nog
redelijk goed, maar de maximale
hartslag wilde niet hoger dan 160,
wat toch op vermoeidheid duidt. Het
'dak' van dit rondje lag op 953
meter, op de Port de Ares.



We
beginnen tegen negen uur met de
beklimming van de Coll de Rates,
waarbij meteen al de mouwtjes en
windstopper in de achterzak kunnen.
Dan rechtdoor naar Tarbena en via
een lange afdaling naar Callosa, en
vandaar richting Guadelest: een van
de toeristische topattracties van
Spanje met jaarlijks 1,5 miljoen
bezoekers. De klim naar het
bergdorpje is een mooie: eerst een
stuk door een bos, daarna glooiend
omhoog totdat de torentjes op de
rotsen van het bedevaartsoord in
zicht komen.


Er is
hier en daar wat kritiek geuit op de
hoeveelheden voedsel die wij deze
week wegstouwen, maar die komt
vooral van lieden die zich hebben
gespecialiseerd in rondjes om de
kerk. Wie serieus trapt, moet
serieus eten. Niettemin slaan we de
almuerzo - na een indrukwekkend
ontbijt van Cokky - vandaag over en
nemen we rond half twaalf - even
voorbij Guadelest, want veel
goedkoper, leuker en rustiger -
genoegen met koffie, cola en een
mueslireep. Weer twee uur later doen
we het lelijkste restaurant van dit
deel van Spanje aan: La Ponderosa in
Benilloba. We beginnen met soep met
één bal, maar dat is dan ook geen
kinderachtige, en een al even
indrukwekkende cordon bleu. Wijntje
erbij, stukje taart toe en uiteraard
een carajillo.


En
voort gaat het weer, door
uitgestrekte en uitgestorven
landschappen, met goed gevulde
stuwmeren, tegen hellingen geplakte
dorpjes en asfaltwegen die alleen
voor ons lijken te zijn aangelegd.
Als tegen vier uur de lucht dreigend
wordt, hijsen we ons op de top van
de Alt de Margarida weer in de
windstopper en gaan de mouwtjes aan,
om de glooiende, 24 kilometer lange
afdaling met straffe wind tegen naar
Pego met constante snelheden boven
de 40 kilometer per uur af te
leggen. Dan via Orba en Parcent naar
Jalón, waarna op mijn
kilometerteller - die ik de
afgelopen zes dagen niet op 'nul'
heb gezet - de balans van dit
Spaanse trainingskamp kan worden
opgemaakt.

|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Zondag 11 april
Jalón, Spanje
Weer een
noodzakelijke 'rustdag' hier,
waarbij we er niet voor kiezen om
met de beentjes omhoog in het
zonnetje te zitten, maar toch nog
gewoon 70 kilometer weg trappen.
Geen spectaculaire bergen, maar een
rondje langs de kust, dé plek waar
je hier relatief vlak kunt rijden.
Via de brede N-weg - in Nederland
verboden voor fietsers - dalen we
vanuit Jalón als een speer af naar
Calpe, waarbij ik met snelheden
boven de zestig kilometer per uur
maar heel even mijn camera durf te
gebruiken.
Dit
is qua temperatuur de mooiste dag
van de week en direct na de afdaling
kunnen op de boulevard van Calpe de
mouwtjes af en de windstopper uit.
Alleen de Duitser die we onderweg
oppikken rijdt nog in lange broek,
in wintershirt en met handschoenen
met vingers. Maar die heeft dan ook
wel meer merkwaardige trekken. Hij
rijdt vrijwel alle hellingen
stoempend op de grote plaat omhoog
en klaagt daarna tegen ons dat hij
nog maar twee keer in de week kan
fietsen omdat hij zo last heeft van
z'n knieën. Een tandje terug
schakelen vindt hij 'niet
mannelijk'. Gordon is niet
mannelijk, probeer ik nog, maar de
boodschap komt niet over.

Wij
hebben geen moeite met een tandje
terug, net zomin als met het poseren
op een vakantiekiekje in het
haventje van Moraira. Want vandaag
is het weer een beetje vakantie. Dus
mogen we ook een lekker stukje langs
het strand rijden:


Wat
er nog over is van de Club Ciclista
Xaló assisteert vandaag bij een
mountainbiketocht in het dorp, dus
houden mijn rentenierende vriend en
ik de clubkleuren maar hoog. Uit
respect voor hen die vandaag niet
zelf konden fietsen, steken we ook
op bij de bar die zij in deze streek
altijd uitkiezen voor de almuerzo:
Las Olas. In plaats van pinda's
krijgen we hier vooraf een bordje
met wat mijn rentenierende vriend
aanvankelijk omschrijft als
uitgebakken spekjes, maar waarvan
hij pas nadat ik het laatste stukje
in mijn mond heb gestoken, werkelijk
onthult wat het zijn: gefrituurde
varkensoren. Nou ja, alles wat je
frituurt is lekker, luidt mijn
levensmotto.

Bij
Gata stoppen we - ook omdat het
vakantie is - voor een typisch
zondagmorgentafereel: een processie.
Maar in plaats van een heiligenbeeld
dragen de dorpelingen hier kleine
kinderen op hun schouders door het
dorp. Rare jongens, die Spanjaarden.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|

Zaterdag 10 april
Jalón, Spanje
Sinds de
activiteiten van de club van Jalón
zijn verworden tot
bezigheidstherapie voor mensen die
eigenlijk niet willen fietsen, heeft
mijn rentenierende vriend
aansluiting gezocht bij de mannen
van Pedreguer. Een vereniging in
grootte vergelijkbaar met onze
Afdeling Wielersport van de IJVK,
maar met een rijkere historie. Het
routeboek staat vol met tochten van
ruim boven de honderd kilometer en
op sommige dagen worden ook ritten
van 260(!) kilometer uitgeschreven.
De club kent verschillende
langeafstandsfietsers, die hun hand
niet omdraaien voor 1200 kilometer
in 64 uur (Parijs-Brest-Parijs).
Voor de rit van deze zaterdag -
waarvoor we al in het schemerdonker
op pad moeten - staat een eenvoudige
bergrit van 130 kilometer op het
programma. Voor Edwin en mij een
makkie, want alle klasbakken van de
club gaan vandaag op voor hun eerste
langeafstandsbrevet (200 kilometer)
van dit seizoen, ergens in de buurt
van Valencia. Van de elf renners die
overblijven, kunnen we er zeker tien
hebben. Alleen Rull test bergop onze
geteisterde kuiten die in vier dagen
al ruim 500 kilometer hebben
weggetrapt.


Het
eerste serieuze obstakel is Coll de
Rates, een klassieke klim die vaak
in de Spaanse Vuelta zit en voor de
profs ook geldt als een ideale
trainingsberg in het voorseizoen.
Het geeft ons de gelegenheid een
beetje warm te trappen: het is
beneden in het dal een graad of 7 en
naarmate we stijgen, wordt het er
niet warmer op. Als enige van de
club rijden wij in korte broek, maar
wel met mouwstukken en windstopper.


Er lopen
nogal wat familieverbanden binnen de
Club Ciclista Pedreguer, vandaar dat
Antonio die de volgauto bestuurt met
recht 'opa' mag worden genoemd. Opa
heeft nieuwe wielen achterin, een
grote gereedschapskist om onderweg
mankementen te verhelpen, hij houdt
met zijn wagen renners uit de wind
om terug te keren in het peloton en
- ook belangrijk - als er gegeten
moet worden, rijdt hij alvast
vooruit naar de bar om de
bestellingen op te geven.


Het
sociale aspect is bij Spaanse
fietsclubs bijna net zo belangrijk
als het fietsen zelf: de kleine bar
bij het gemeentelijke zwembad van
Facheca staat bol van de herrie die
Spaanse fietsers produceren. Normaal
Spaans kan ik een beetje volgen, het
Valenciaans is voor mij
onverstaanbaar. De bocadillos
(stokbroden) met tortilla en lomo
(varkensvlees) worden broederlijk
gedeeld, het bier uit de
literflessen wordt aangelengd met
cola. Met de pitten van de olijven
en de doppen van de pelpinda's
veranderen de tafels in een gezellig
slagveld.

Het
ontbreken van de klasbakken van de
club drukt het tempo behoorlijk en
onderweg breekt dan ook al een
discussie los over de route: als we
alle bergen rijden die in het boekje
zijn opgenomen, zijn we tegen een
uur of vijf pas thuis. Dat maakt
mijn rentenierende vriend en mij
niet uit - met deze snelheden is het
voor ons een plezierritje - maar de
Spanjaarden hebben geen vakantie. Na
Facheca steken we daarom af naar
Tollos en kiezen de 24 kilometer
lange afdaling van de Alt de
Margarida om in vliegende vaart naar
Pego te rijden. De uit de kluiten
gewassen Hollandse gangmakers doen
hier met hun overgewicht wonderen,
ook op het vlakke stuk van Pego naar
Pedreguer, waar de kleine Spaanse
mannetjes zelfs uit de wind nog
beginnen te piepen dat het te hard
gaat. Als we ze in Pedreguer weer
voor de deur hebben afgezet, rijden
wij nog de 14 kilometer terug naar
Jalón, waarmee onze dagteller op 130
kilometer en ruim 1800 hoogtemeters
komt. Morgen een relatieve rustdag,
maandag de Koninginnerit van deze
trainingsweek.

|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Vrijdag 9 april
Jalón, Spanje
De
fietsclub van Pedreguer rijdt morgen
mijn favoriete parcours door het
middelgebergte, dus moeten mijn
rentenierende vriend en ik vandaag
een beetje op krachten komen. We
doen een rondje Denia, overwegend
vlak, al kunnen we het niet laten om
halverwege toch ook nog even de
Montgó - die als een imposante puist
het landschap domineert - op te
rijden. Dit is - minus de Montgó,
uiteraard - het favoriete parcours
van de club van Xaló, die al enige
tijd op één oor ligt. Na twee uur
stoppen we voor ons rennersontbijt,
de almuerzo, met standaard pinda's,
olijven, wijn (aangelengd met
gaseosa) en indrukwekkende
stokbroden, belegd met tortilla y
jamon o queso, afgesloten met koffie
plus cognac (carajillo genaamd,
vooruit, omdat het vandaag een
rustdag is: twee carajillos de man).
Vanwege die laatste uitspatting is
het wat duurder dan normaal: een
tientje voor twee personen. Wat er
over is van de wijn (het is -
buitenlanders, opgelet - niet de
bedoeling de hele fles aan tafel
leeg te drinken) nemen we mee voor
onderweg.


We
trappen een eindje langs de kust,
waarbij ik als Katwijker ook niet om
de haven van Denia heen kan.
Bovendien: bootjes doen het altijd
goed, op de foto.


Dan
de Montgó, een niet al te hoge maar
wel klassieke berg die tussen Denia
en Javea in ligt. Je kunt hier op de
macht naar boven stampen, maar
vanwege onze rustdag rijden we in
D1, hartslag niet hoger dan 130, op
het gemak omhoog. Bovenop maken we
nog een uitstapje naar de Cabo San
Antonio, een landtong met een mooi
klooster, een vuurtoren en weidse
vergezichten. Het lijkt verdorie wel
vakantie!


|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Donderdag 8 april
Jalón, Spanje
Alt de
Margarida is een van mijn favoriete
beklimmingen in Spanje. De vallei is
schitterend, met verstilde dorpjes
en bloeiende kersenbomen, en aan
weerskanten rijzen hoge bergketens
op. Het stijgingspercentage is ook
niet indrukwekkend. Wat de klim
zwaar maakt, is dat hij ruim 22
kilometer achter elkaar doorgaat.
'Mooi hè', hijg ik ergens halverwege
tegen mijn rentenierende vriend.
'Ja', zegt hij. 'Je zou er eigenlijk
van moeten kunnen genieten. Ergens
op een bankje, of zo.' De 160
kilometer van gisteren zitten ons
nog behoorlijk in de benen, zeker
als Spanjaard Javi - die ons vandaag
vergezelt - de teller in het begin
rond de 25 houdt. Op deze helling
heb ik pelotons in stukken zien
breken, bomen van kerels in snikken
zien uitbarsten, achterblijvers voor
dood in de berm ineen zien zakken.
Op de
top slaan we linksaf, richt Vall
d'Ebo, een dorpje dat je normaal van
de andere kant bereikt via een
klassieke beklimming van een berg
met tientallen haarspeldbochten.
Maar die mogen we nu - na de koffie
- naar beneden rijden, na overigens
eerst weer een paar honderd meter te
zijn geklommen. Ergens tegen de top
haal ik mijn camera tevoorschijn,
leg mezelf vast met open mond,
imposante roodverbrande neus en lege
ogen, en vond om onverklaarbare
redenen dat ik u dit beeld toch niet
mocht onthouden:


Na Pego
rijden we redelijk vlak, al zit in
dit deel van het parcours nog wel
een smerige helling die de renners
hier de Tourmalet noemen. Zeker niet
zo lang als de echte, wel net zo
steil. Ergens voor Pedreguer komen
we de jeugdploeg van Javea tegen,
met Fraser, de zoon van fietsmaat
Gareth, in de gelederen. We rijden
een eindje samen op, comfortabel
voor het volgwagentje uit, maar dan
geeft Javi weer gas en scheiden de
mannen zich van de knapen. We zijn
hier tenslotte niet op vakantie.
Ruim 116 kilometer staat er na
afloop van dit rondje op de teller,
wat het aantal fietskilometers
binnen 48 uur na mijn aankomst
precies op de 300 brengt. Nog vier,
nu al memorabele, fietsdagen te
gaan. Laten mijn benen het maar niet
horen.
Spaanse
algemeenheden staan op het
Pretvaderlog |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Woensdag 7 april
Jalón, Spanje
Wie veel
ontberingen lijdt, kan maar het
beste gezegend zijn met een slecht
geheugen. Na elke steile helling,
kilometers slecht wegdek of veel te
lang uitgevallen tocht die hij mij
voorschotelt, zegt mijn
rentenierende vriend Edwin in alle
oprechtheid: 'Dat was ik even
vergeten.' Ons vlakke opwarmritje
voor de zware trainingstocht met
Spanjaard Javi op donderdag liep
derhalve vandaag een beetje uit de
hand: 162 kilometer met bijna 1800
meter hoogteverschil. En dan moet
morgen nog komen.

Onze
rit voerde vanuit Jalón (Xaló in het
Valenciaans) naar de Barx, een in
mijn ook al niet te beste geheugen
een mythische berg die ik in een ver
verleden nog eens met de wielerclub
van Xaló heb gereden. Of ik was toen
zo slecht, of ik ben nu zo goed,
want op het moment dat ik dacht dat
we nog driekwart van de klim moesten
afleggen, was ik al boven. Veel te
vroeg voor de Spaanse lunch (12.45
uur), waardoor we aan de achterkant
de Barx weer afdaalden, via een
andere weg omhoog reden, weer een
stukje afdaalden en de berg voor een
derde keer - weer via een andere
route met veel haarspelden - omhoog
gingen. Ja, zo kom je wel aan je
hoogtemeters.

Maar
verder - eerlijk is eerlijk -
redelijk vlak gereden, voorzover dat
hier mogelijk is. Door uitgestrekte
sinasappelvelden waar de zoete geur
van bloesem hing, dorpjes waar de
tijd lijkt te hebben stilgestaan en
over stille wegen waar
automobilisten hebben geleerd om met
een ruimte bocht om fietsers heen te
gaan. En, na een veel te lange en
koude Hollandse winter, heerlijk met
de warme Spaanse zon op je huid.



Fietsers weten in dit droge
landschap feilloos de bronnen te
vinden om hun bidons bij te vullen.
Maar ook de inwendige mens moet
worden versterkt. Onze lunch bestond
- behalve uit salade, brood, cola en
(met Gaseosa aangelengde) rode wijn
- uit inktvis- en aardappelsoep,
varkensvlees, boontjes met frites en
tiramisu toe, voor (ook elk jaar
weer een aangename verrassing) het
luttele bedrag van nog geen 18 euro
(voor twee personen en inclusief
twee carajillo's - koffie met
cognac). Ja, door jarenlange
training zijn wij er bovendien in
geslaagd om na zulke hoeveelheden
voedsel en drank nog gewoon 90
kilometer in een behoorlijk tempo te
fietsen.

In de
afdaling van de Barx - met snelheden
tegen de 80 kilometer per uur -
verwijderde Edwin met de vlakke kant
van zijn handschoen een steentje uit
een tikkende voorband die daarna met
een onheilspellend gesis, maar wel
geleidelijk, ineen schrompelde. Twee
dagen fietsen, twee dagen lek. Er
lijkt zich een trend af te tekenen,
waarbij ik er op een zeker moment
toch mijn one-liner 'Als je goed
bent, rijd je niet lek' zal moeten
ingooien.
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|

Dinsdag 6 april
Jalón, Spanje
Zo zit
je 's morgens om half elf in Katwijk
nog aan de koffie en zo rijd je om
half zeven 's avonds je eerste ritje
op de racefiets in Jalón, Costa
Blanca, Spanje, ruim 2000 kilometer
verderop. We doen het 'oefenrondje'
langs de dorpjes in de vallei om de
benen een beetje los te trappen:
mijn rentenierende vriend na een
zware etappe van gisteren in het
achterland en ik nog kampend met de
naweeën van mijn eigen bergtoer in
Ochten op zaterdag, een trainingsrit
met de Afdeling Wielersport van de
IJVK op maandag en ruim twee uur op
een XL-stoel in een vliegtuig. Het
oefenrondje is ruim 20 kilometer
lang, redelijk glooiend en geeft ons
allebei de mogelijkheid elkaars
conditie af te tasten. Daarna kan de
psychologische oorlogsvoering - de
ander het graf in prijzen en jezelf
in een underdog-positie plaatsen -
beginnen. 'Dick is sterk, dit jaar',
kreunt Edwin na afloop tegen zijn
vriendin. Boven de honderd kilometer
en met een paar cols in de benen
maken we deze week pas de balans op,
beloof ik. De bergtoer in Ochten is
nauwelijks een serieuze
voorbereiding te noemen op wat mij
hier deze week te wachten staat.

Op dit
avondrondje gaat Edwin vlak voor
Murla even voor me rijden om me
langs een paar verkeersdrempels te
loodsen, stuurt net iets te snel
weer naar binnen en met een scherp
gesis loopt zijn achterband leeg.
Stootlek. Een Raymonnetje, noemen we
dit in trainingskampkringen, naar
mijn neef die er ook altijd in
slaagt om op een eerste ritje één of
soms zelfs twee lekke banden
tegelijk op te lopen. Ook hier
worden het uiteindelijk twee lekke
banden omdat mijn rentenierende
vriend met de bandenlichter het
eerste reserve-exemplaar bij het
omleggen lek prikt. Als dit maar
geen voorbode is van een week vol
onheil.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
|