|
| |

Trainingskamp april 2007
Eigenlijk zou ik dit keer met mijn politiek-incorrecte
neef afreizen naar Spanje, maar wegens een hardnekkige
blessure moest die verstek laten gaan. Zijn plaats werd
ingenomen door mijn zwager Rinus, die in de bergen zijn
vuurdoop onderging. In totaal reden we in een week tijd
750 kilometer en overbrugden we 10.000 meter
hoogteverschil.
|
 |
|
Donderdag 19 april
Als je op reis gaat naar verre en vreemde oorden, kun je
mijn zwager Rinus er wel bij hebben. Hij is politieman, lid van de Mobiele
Eenheid, werkte jaren met paarden bij de Bereden Groep, was rechercheur en - niet onbelangrijk voor een fietsvakantie in Spanje - volgde bij de politie ook een
Biker-opleiding. En als er onderweg iemand moet worden staande
gehouden, mag hij optreden als hulpofficier van justitie. Maar vandaag had hij het meest aan de
vaardigheden die hij in zijn jeugd opdeed als knecht op een
veehouderij. De poes van mijn rentenierende vriend heeft - na een conflict met een
rivaliserende kater - een wond die zijn halve kop in een bloederige massa heeft
veranderd. Van de dierenarts moet het beest absoluut
binnenblijven, maar het eerste wat hij vanmiddag deed toen hij even buiten mocht
piesen, was zijn jeukende schedel in het zand wentelen. Zelf schenk ik op dat soort momenten graag nog even een wit wijntje in, terwijl mijn zwager de poes in verzekerde bewaring stelt en met mijn rentenierende vriend de wond
uitspoelt. En dat terwijl hij hier gewoon als invaller is. Mijn
politiek-ontspoorde, 18-jarige neef is te geblesseerd om dit tweede trainingskamp van dit jaar in Jalon aan de Costa Blanca mee te
maken. Maar er hoefde niet veel overredingskracht te worden uitgeoefend om het ticket over te laten schrijven op naam van zijn
oom, mijn zwager dus. Twee uur na aankomst op het vliegveld van Valencia zaten we al op de
fiets, voor ons eerste rondje van 55 kilometer om het materiaal en de benen te
testen. Mijn zwager, die op twee wielen nog nooit een serieuze berg beklommen heeft maar verder wel een sportief leven
leidt, reed als een beest omhoog en daalde - in mijn
optiek, maar ik heb hoogtevrees - als een kamikazepiloot. Mijn
rentenierende vriend, die eerder in een mail had aangekondigd dat hij ons deze week zo zou laten afzien dat we nooit meer op vrijwillige basis naar hem zouden
afreizen, vroeg mij halverwege vertwijfeld of ik nog meer van dit soort familieleden had. Onze hoop is gevestigd op de ritten van meer dan honderd kilometer, die deze week op het programma
staan. Mijn zwager heeft dit jaar - als rijksambtenaar - namelijk nog nooit meer dan 70 kilometer op een dag
afgelegd. En mijn rentenierende vriend en ik zijn natuurlijk geen katjes om zonder handschoenen aan te
pakken.

Vrijdag 20 april
Onderweg heb ik nog geprobeerd om het aan ze uit te leggen: ik heb te veel hersens om snel af te dalen. Als ik met 60, 70 kilometer per uur een berg afsuis, kan ik me heel goed inbeelden wat er gebeurt als ik op het laatste moment door mijn remmen schiet. In de bocht uitglijd over los gesteente. Op de verkeerde weghelft tegen een tegemoetkomende auto klap. Maar mijn twee fietsmaten worden niet geplaagd door dit soort gedachten. Mijn zwager, die tot gisteren nog nooit een serieuze berg heeft beklommen, kleeft op 10 centimeter afstand van
het achterwiel van mijn rentenierende vriend, als die zich met doodsverachting naar omlaag stort. Pure onnozelheid. Hun contact met de weg gaat via twee smalle bandjes, waarin voor 7,5 bar lucht is geperst. Je moet er toch niet aan denken dat zo'n stukje rubber op volle snelheid explodeert. En dat is nu mijn probleem. Ik denk er wel aan. Ik denk ook aan mijn vrouw en kinderen. De lezers van mijn weblog. De samenleving in zijn geheel. Wat een verlies zou het zijn, als ik met fiets en al via de kloof van de hel naar de hemelpoort glijd. Zij denken helemaal nergens aan. Wat een zaligheid moet dat zijn. Bijna 140 kilometer hebben we vanda ag
getrapt, en meer dan 2000 meter hoogteverschil overbrugd, bij een temperatuur van een graadje of 25. Bergop kon ik de mannen nog imponeren met mijn klimkuiten en de vele honderden kilometers trainingsarbeid die ik in Nederland voor dit trainingskamp heb geinvesteerd. Maar bergaf moet ik ze elke keer laten gaan. Onderaan weer zo'n puist, als ze trouw op me wachten, leg ik het nog maar een keer uit. Ik heb te veel hersens om snel af te dalen. 'Blij mee!', zegt mijn zwager grijnzend. Woorden van 1 lettergreep. Geen persoonlijke voornaamwoorden. Dat is nou typisch voor die lui. Ik heb het er maar mee te doen, deze week.

Zaterdag
21 april
Alle
keren dat ik in Spanje op trainingskamp ben, is het
niet alleen de bedoeling dat ik aan mijn conditie
werk, maar ook dat ik vijf kilo afval. Maar om de
een of andere reden slaag ik daar maar niet in.
Zelfs al rijden we 3000 kilometer in een week, na
afloop wijst de weegschaal hooguit hetzelfde aan, of
blijk ik zelfs nog een kilo aangekomen. Geen idee
hoe dat komt, al zijn er altijd wel verzachtende
omstandigheden aan te voeren. Zoals deze week. Ik
ben hier voor het eerst met mijn zwager Rinus: net
zo groot als ik (1.94 meter), alleen tien kilo
lichter. Vel over been, wat u zegt. Dat vergt grote
aanpassingen van mijn rentenierende vriend en mij.
Op onze eerste grote bergrit stortte mijn zwager na
vijftig kilometer in, waar wij - allebei toch wel
een kilootje of vijf te zwaar - nog vrolijk
doortrapten. Zo'n broodmagere fietsmaat moet
constant blijven eten om niet voortdurend met de
hongerklop van zijn rijwiel te vallen. Dus ja, wat
moet je? Op onze tochten strijken we nu na zo'n
veertig kilometer klimmen en dalen neer op een
terras, waar we de vreemdste bestellingen doen.
Altijd een literfles cola (voor de suiker), een tros
bananen (voor de koolhydraten), drie toetjes (in de
regel een flink stuk taart) en drie cortado's
(koffie met een scheutje melk) met flink veel
suiker. Na nog eens veertig kilometer wordt er
gestopt voor een uitgebreide driegangenlunch, met
paella of macaroni vooraf, vlees met aardappelen en
groente als hoofdgerecht en - opnieuw - een lekker
stuk taart als toetje. Dus ja, waarom we niet
afvallen is ons een raadsel. Maar we zijn in elk
geval lekker solidair met mijn zwager. En hij met
ons? Vergeet het maar! Waar mijn rentenierende
vriend en ik tussen de middag ons flesje wijn bij de
lunch wegklokken ('s lands wijs, 's lands eer) en
ons na afloop van de maaltijd nog tegoed doen aan
een carajillo (koffie met cognac), neemt hij geen
druppel alcohol tot zich. Vanmiddag, op onze tocht
van 115 kilometer, doceerde mijn rentenierende
vriend dat het menselijk lichaam bij grote
inspanningen eerst de alcohol gaat afbreken. Dat
ziet het namelijk als vergif. Mijn lichaam toch
niet?, vroeg ik geschrokken. Maar sindsdien gooit
mijn zwager er na elke lunch nog een schepje
bovenop, om ons in de vernieling te rijden.
Vanmiddag was hij daar bijna in geslaagd, als niet
uitgerekend net onder de top van de beklimming
vanuit Moraira naar Benissa alle alcohol in ons lijf
was opgebrand. Waarna we hem er vervolgens gewoon
weer uitreden op onze vetreserves. Volgende week
gaan we pas weer aan de lijn.


Zondag 22
april
Normaal
rijden we altijd strak in het tenue van onze sponsor
Kees' Fietsshop, maar op wat wij eigenlijk
beschouwen als een rustdag, mag het ook allemaal wel
een keer wat losser. Bovendien, na drie dagen
trappen zijn onze oranje-zwarte pakjes wel aan een
sopje toe. Mijn zwager en ik kleden ons in stemmig
zwart en blauw, en moeten even met de ogen knipperen
als onze rentenierende vriend naar buiten stapt. Hij
heeft een vuurrode broek aan (de enige man die ik
tot nog toe in een vuurrode broek heb gezien was
Prins Claus, op een oude kalender van Ons
Vorstenhuis), met daarboven een Spaans shirt in de
schreeuwende kleuren blauw, geel en groen. We
krijgen van hem een verhandeling over hoe belangrijk
het is om in opvallende kledij over het asfalt te
scheuren: voor medeweggebruikers ben je beter
zichtbaar, wat de veiligheid vergroot. En dat is
vandaag geen overbodige luxe: voor ons rondje Bernia
draaien we, om een beetje op te warmen voor de klim,
een rondje door de vallei, waarbij we langs
de drukste rommelmarkt van de Costa Blanca moeten.
Voetgangers die zonder op of om te kijken de weg
oversteken, wijken geschrokken terug als ze onze
rentenierende vriend zien aankomen. Als Mozes door
de Rode Zee baant hij zich met 30 kilometer per uur
een weg door de menigte. Alleen verderop, op het
platteland, dreigt het bijna fout te gaan. Als hij
weer met 60 kilometer per uur een helling afsuist,
rijdt een boertje met een witte bestelwagen vanuit
een parkeerstrook zo de weg op. Auto en fiets
schieten rakelings langs elkaar. En dat is maar goed
ook, want ik zag de
krantenkoppen
al voor me: 'Kleurenblinde automobilist rijdt als
papegaai verklede wielrenner aan'.
 


Maandag 23
april
Ergens
tussen Pego en Oliva zijn we m'n zwager kwijt. Hij
heeft halverwege deze kilometerslange weg wel even
aangegeven dat hij 'er even af moest', maar daarbij
ging ik er vanuit dat hij even lekker uit de wind
aan de
staart van ons groepje wilde hangen. We rijden
vandaag met Grupo A van de Club Ciclista Xalo, de
absolute klasbakken van het dorp, vandaag bestaande
uit Javi en Armando. Meer klasbakken zijn er even
niet. We
doen een r edelijk vlakke ronde, omdat we onderweg
aan de kust bij Javea nog naar wielerwedstrijden
willen kijken. Pas bij de verkeerslichten in Oliva
missen we m'n zwager. Mijn rentenierende vriend weet
te vertellen dat hij onderweg de indruk kreeg dat
hij nodig moest plassen, maar nadat we bijna een
kwartier hebben gewacht, bleek daar tussen de
sinaasappelbomen ook een behoorlijk drukje bij
gekomen. Als we even later stoppen bij een
benzinestation voor een blikje cola en een cakeje
(Grupo A is een
sober
gezelschap, dat louter voor de sport fietst), moet
mijn zwager opnieuw naar het toilet. En als wij een
uurtje later bij weer een ander benzinestation
moeten wachten op Javi, die wij met onze vele
klimkilometers behoorlijk op afstand hebben
gefietst, grijpt mijn zwager dit onderhoud aan voor
opnieuw een sanitaire stop. 'Hij werkt bij de
politie', legt mijn rentenierende vriend uit aan
Armando: 'Policia.' Aha, knikt Armando, hij begrijpt
het. 'De politie. Hetzelfde als bij ons in Spanje',
zegt hij. 'Koffie drinken en pissen.'


Dinsdag 24
april
Elke
keer als hij door mijn rentenierende vriend op
afstand wordt gefietst, bedient de Spanjaard Armando
van de fietsclub CC Xalo zich van dezelfde stoplap:
'Ja, maar jij hebt
geen
werk!' Dan kun je net zoveel trainen als je wilt,
wil hij maar zeggen. Nu heeft hij daarmee in de
regel een punt, maar zondag kon mijn vriend -
wijzend naar mijn zwager en mij - reageren met: 'Ik
moet de hele week
met die gekken op pad. Noem je dat
geen werk!' Om ons een lesje te leren, had Armando
nog wel een routesuggestie: heen over de Col de
Rates, dan doorklimmen naar Tarbena, afdalen, en
weer klimmen naar Guadalest en Confrides, dan
afdalen naar Benasau, dan weer omhoog de Tudons op (de
hoogste bergketen hier), een stukje afdalen, dan
weer vanaf een andere kant de Tudons op, afdalen
naar Benasau en dan dezelfde weg terug: weer omhoog
naar Confrides en Guadalest, afdalen, dan weer
bij
Tarbena omhoog, doorklimmen naar de Col de Rates en
terug naar huis. In totaal hadden we daarmee vandaag
16 0 kilometer op de teller staan en een
hoogteverschil van 3000 meter overbrugd (zie het
profiel). Voor mijn rentenierende vriend en mij was
dit reden om bij de lunch af te zien van het
gebruikelijke flesje wijn. Maar de carajillo hebben
we ons niet laten ontnemen. En mijn zwager Rinus?
Zijn bondige commentaar luidde na afloop: 'Ik ben
nog nooit zo verrot geweest als vandaag.' En, laat
ik het maar eerlijk toegeven: er zijn dagen dat ik
het als werknemer van HDC Media minder zwaar heb
gehad. Maar je bent lekker buiten, werkt een beetje
aan je conditie en je krijgt nog een bruine kop ook.
Nee, je moet gaan werken.


Woensdag 25
april
Eerder
deze week had ik het al gezegd tegen mijn
fietsmaten. 'Jullie weten wel dat je moe bent, maar
jullie zijn niet intelligent genoeg om je er ook
naar te gedragen.' Dat was meestal op een moment dat
ze op de macht de teller krampachtig boven de dertig
probeerden te houden op een venijnig stuk vals plat.
Of weer als een dolle een helling afdoken. Na de
monsterrit van gisteren zouden we vandaag, onze
laatste dag in
Spanje,
wat rustiger aan doen. Maar een telefoontje van
David - zoon van een Engels lid van onze fietsclub
en voormalig jeugdkampioen van Wales - of hij een
dagje met ons mocht meerijden, gooide roet in het
eten. Zodra hij op de fiets stapt, is mijn
rentenierende vriend namelijk opeens weer een junior
van 16 en doet hij niets liever dan
David
uitdagen in de sprint, voor een bloedstollende
afdaling of een wedstrijdje wie het eerste boven is.
En wie hangt er dan amechtig in het wiel? Juist, uw
logschrijver.
Maar
er waren verzachtende omstandigheden.
De 650
kilometer die ze al in de benen hadden, was vandaag
goed af te zien aan de koppies van mijn maten. En
David traint nooit meer dan 50 kilometer achter
elkaar. Na 40 kilometer op de beklimming van de Alt
de Margarida durf ik dan ook gerust een wijntje te
nemen tijdens onze almuerzo in Bar Ta Casa. En een
carajillo toe, natuurlijk. Meer dan 100 kilometer
rijden we toch nog, vandaag, en de momenten dat
David en mijn rentenierende vriend alsnog de kolder
in de kop krijgen, zijn op de vingers van een hand
te tellen. Na een kilometer of negentig begint mijn
oude lijf weer een beetje op temperatuur te komen en
rijd ik na Pego en bij Orba naar boven alsof ik de
hele week nog niks heb gedaan. Na Parcent neem ik,
op de grote plaat, opnieuw de kop en vlak voor Jalon
sla ik nog een aanval af van mijn zwager, die heel
linkeballerig al kilometers bij me in het wiel heeft
gezeten. Maar net voor de denkbeeldige streep voel
ik wat langs me heen suizen: een 16-jarige,
voormalig jeugdkampioen van Wales. Het is genoeg
geweest, mensen. We gaan naar huis. Voordat ik zelf
ook van dommigheid niet meer besef hoe moe ik
eigenlijk ben.
terug naar de beginpagina website
naar het weblog
|