Column Dick van der Plas voor dinsdag 1 augustus 2006

 

Dagje aan het strand

Het strand van Moraira is van overzichtelijke afmetingen, maar als je met de stok van een

parasol in het zand op zoek bent naar het brilletje van je zoon, bekruipt je na enige tijd toch de radeloosheid van de verdwaalde woestijnreiziger. Ik beperk het zoekgebied tot de omgeving van de korte broek van onze jongste nazaat omdat mijn vrouw zeker denkt te weten dat ze het ding in een van de zakken heeft gestopt. De broek is inmiddels aan en mijn zoon heeft al zes keer de voeringen van zijn zakken naar buiten gehaald, om aan te tonen dat zijn bril toch echt spoorloos is. Het is een vierkant, flexibel montuur, dat je gemakkelijk dubbelvouwt en nog makkelijker met je voet in het zand trapt. Maar vertaal dat maar eens in het Spaans, voor al die badgasten die mijn geprik met de parasol in het zand nogal vermakelijk schijnen te vinden.

In oude films van Superman zie je nog wel eens vertraagd afgespeeld hoe de hoofdpersoon van een saaie Clark Kent in microseconden transformeert in de supersonische weldoener. Op die manier ontdoet mijn zoon zich ook van zijn kleding, zodra hij water – zoet, zout, warm, koud, het maakt hem allemaal niet uit – ontwaart. In dit geval heb ik – nadat ik de tas met handdoeken, duikbrillen en opvouwbare stoeltjes in het zand heb gezet – zijn kledingstukken verzameld die richting vloedlijn verspreid lagen. Op het moment dat mijn vrouw ze keurig op een stapeltje legde, kwam hij nog aanrennen met zijn bril, waarvan hij zich pas bewust werd toen hij de snorkeluitrusting over zijn hoofd trok.

Zelf stond ik op dat moment al de band op te blazen, waar hij na tien minuten – het snorkelen moe – om zou komen vragen. Het volpompen van luchtbedden en ander drijvend materieel neemt in de regel de helft van mijn strandbezoek in beslag. De andere helft besteed ik aan het laten leeglopen ervan. Al eens geprobeerd, om alle lucht te krijgen uit een Orca op ware grootte? Met je vingers moet je het ventieltje op de juiste manier dichtdrukken, terwijl je met je lichaam druk op het materiaal zet. Uren heb ik met mijn bezwete lijf doorgebracht bovenop dubbelgevouwen, door zout water en zand opgeruwde rubberoppervlakken, die zich met geen mogelijkheid lieten terugbrengen in de omvang waarmee ze ooit in de tas pasten. Het vervoeren van banden, rubberboten en ligbedden in opgeblazen staat is ons de afgelopen jaren slecht bevallen. In de regel vinden ze dan, op weg naar het parkeerterrein, een voortijdig einde tegen de stekelige bast van een palmboom of andere mediterraan straatmeubilair.

Het monotone opblazen en leeglopen wordt onderbroken door het assisteren bij zwemvlies- en duikbrilwisselingen van mijn zoon, die vrijwel alle tijd in het water doorbrengt door ondersteboven naar zeldzame stenen – en daar zijn er wat van, in zijn ogen – te duiken, en het voeren van verhitte discussies over exemplaren van twee kilo en meer die als handbagage beslist meemoeten naar de vitrinekast in zijn kamer, 2000 kilometer verderop. Tussendoor handel ik ook nog dwingende verzoeken om ijs, chips en blikjes cola af.

En nu zoek ik dus – geassisteerd door mijn eega en onze in Spanje rentenierende vrienden – al een half uur naar zijn brilletje, dat op eigen kracht uit de broekzak van mijn zoon is verdwenen en zich in het zand heeft ingegraven. De hitte en de bittere verwijten over en weer (‘Wie doet zo’n ding nu ook in een broekzak?’) doen ons op een bepaald moment verzoenen met de gedachte dat hij de rest van de zomervakantie uit een wazig perspectief moet bezien, voordat er, terug in Nederland, een nieuwe gezichtsprothese kan worden aangeschaft.

Toch is de stemming verre van optimaal, als we terugrijden naar ons vakantiehuis. De geprikkelde stilte van onverwerkte tegenslag is tastbaar in de auto, waar de airco zijn best doet om de temperatuur van 48 naar 38 graden Celcius te krijgen. Op de achterbank schuift mijn zoon ongedurig heen en weer. Uit schuldbesef, hoop ik nog, totdat hij zich geërgerd half overeind hijst en uit zijn kontzak de veroorzaker van het ongemak vist.

Zijn brilletje.

 

Reageren? column@dickvanderplas.nl

terug naar columns Dick

 

 

 

 

terug naar de beginpagina website

naar het weblog