Website van Edwin Huge en Cokky Lekkerkerk

 

start

e-mail

 

 

 

Verder op de website:

 

 

Weblogs
en websites
van mensen
waar we
een link
mee hebben
staan op
de linkpagina

 

Cabronet

Column Dick van der Plas voor maandag 21 juni 2004

 

De leden van de Club Ciclista Xaló zijn op deze vroege zondagmorgen een ‘poco flojo’ (spreek uit: floggo, een beetje slap). De ene helft heeft de 162 kilometer van Moratalla – een week eerder – nog in de benen en draait zich thuis, in bed, nog eens om. De andere helft vindt de 133 kilometer die voor vandaag op het programma staan wat teveel van het goede en kiest voor een kort rondje om de kerk. Mijn voornemen om onderweg flink op mijn Spaans te oefenen zie ik in rook opgaan als ik het groepje van vier overgebleven wielrenners monster waarmee ik straks wél de bergketen Tudons over moet: een Nederlander (mijn in Spanje rentenierende vriend), de twee Engelse leden Gareth en Sandy en één Spanjaard (Armando) die zich met een spraakgebrek bij voorkeur in het Valenciaans uitdrukt. Een gesprek voeren met hem is net zo lastig als na een verkorte inburgeringscursus Nederlands contact leggen met een stotterende Fries.

Drie belangrijke doelen heb ik me deze vakantie gesteld: ik zal mijn kennis van de Spaanse taal op een aanzienlijk hoger niveau brengen, ik wil nog een paar kilo afvallen en ik probeer mijn conditie op te vijzelen voor de zomervakantie, die wij aan de voet van de legendarische Alpe d’Huez doorbrengen. Deze drie voornemens vallen samen op de racefiets: om de dag verlaten mijn vriend en ik onze vallei in het achterland van de Costa Blanca om in de omliggende bergketens 100 tot 140 kilometer te fietsen. En op zondag rijden wij in het pakje van de Club Ciclista Xaló (www.ccxalo.com) en volgen we de geplande Rutas Temporada 2004. Nou ja, gepland… Als Spaanse wielrenners ergens goed in zijn, is het afwijken van de geplande route.

Voor iemand die niet vaak fietst, klinkt 100 tot 140 kilometer per dag behoorlijk indrukwekkend. Maar in de Tour de France is het hooguit een middagetappe. En wij mogen er de hele dag over doen. Na twee uur stoppen we in de regel voor almuerzo, de lichte maaltijd tussen ontbijt en middagmaal (voor ons twee koppen café con leche, een stuk taart en/of een bocadillo, een half stokbrood met beleg) en weer twee uur later klossen we in ons wielerkloffie een restaurant binnen waar het – blijkens de aantallen busjes van aannemers en auto’s van vertegenwoordigers – goed toeven moet zijn. Spaanse restaurateurs weten wat wielrenners toekomt: er komt een literfles cola, een schotel met salade en een mand met brood op tafel. Daarna wordt in hoog tempo het menu del dia geserveerd: paella met kabeljauw, daarna kip of vlees met frieten en flan (pudding), fruit of taart toe. We spoelen het weg met een fles wijn en een liter casera (bubbelwater met een smaakje) om de drank mee aan te lengen. Tot besluit laten we ons dan nog een carajillo (een klein kopje koffie met cognac) voorzetten. Aan de bar worden ten slotte onze bidons gevuld met water en ijsklontjes en mogen we in totaal 15 euro afrekenen. Wat hou ik van dit land!

Onze routes zijn meestal zo gepland dat we de laatste veertig kilometer voornamelijk bergaf rijden. En een voordeel van een fietshelm is dat je door de Guardia Civil nooit wordt aangehouden voor een blaastest.

Onze tweede zondag met de Club Ciclista Xaló is die waarop in het dorp de eerste communie wordt gevierd. De vrouwen gaan naar de kerk, de mannen gaan eerst een stukje fietsen. Altea-Col de Rates (86 kilometer) staat er in het routeboekje, waarbij de gebruikelijke maaltijd onderweg is vervangen door een muesli-reep. Maar ik verbaas me er al niet meer over dat we de hele andere kant op rijden en na dertig kilometer licht klimmen neerstrijken op een terras, waar de tafels onder een olijfboom worden geschoven en er grote flessen bier, wijn en casera op tafel komen en een gedienstige ober onze bestellingen opneemt. We sluiten niet af met één, maar met twee carajillos. Op weg naar Xaló rinkelen in de zakken van de wielershirts de mobieltjes van de mannen. Hun vrouwen bij de kerk vragen zich af waar ze blijven.

Na tweeënhalve week Spanje heb ik één nieuw woord geleerd: cabronet. Dat is Valenciaans voor (kleine) cabron, wat in het Spaans weer grote bok, oftewel ’klootzak’ betekent. Na ruim 900 kilometer trappen door de bergen blijk ik twee kilo te zijn aangekomen. En mijn benen voelen met de dag zwaarder.

Ik ben een ’poco flojo’.

 

terug naar pagina Columns Dick

 

 

 

Kijk ook op ons weblog